Het talent van Kagiso Porto
IS | 25 june 2010

Zuid-Afrika organiseert als eerste Afrikaanse land een WK maar is zelf niet de ster van het continent. Een gebrek aan ontwikkeling van jong talent en gemotiveerde coaches op de grond zijn daar onder meer debet aan.

Stinken dat het doet als de vieze was hier in de badkamer liggen. De 70-jarige Winnie Sathekge haalt haar neus op. Vooral de voetbalsokken zijn een probleem. Daarom is voor voetbaltenues nu een speciale houten kist gebouwd die aan het voeteneind van het bed van haar 40–jarige zoon, voetbalcoach Sonny, staat. Zo is Winnie er een paar dagen vanaf in haar badkamer totdat het vijf dagen na de wedstrijd wasdag is.

Al twintig jaar wast Winnie iedere donderdag de voetbaloutfits van de club Kagiso Porto. Het zijn 52 shirts, 28 broeken en dertien paar sokken voor 35 spelers. Uren staat ze met de hand het jongenszweet uit de kleren te persen. De modder van het veld kleurt het water bruin. Muren, het hek, stoelen en lijnen doen dienst als droogrek. Winnie zit op haar stoepje voor de deur van haar huis en draait de voetbaloutfits met de zon mee.

Het kleine huis in de township Kagiso ten westen van hoofdstad Johannesburg is clubhuis, wasruimte, kantoor en woonhuis ineen. Hier in Ixopo straat draait het leven van de familie Sathekge maar om één ding: de passie van de inwonende zoon Sonny, zijn club Kagiso Porto. Twee decennia geleden richtte hij de club op om talent uit zijn achtergestelde buurt te kweken.

Er wordt veel gevoetbald in Zuid-Afrika. In totaal zijn zo’n 1,8 miljoen Zuid-Afrikanen geregistreerd als voetballer en spelen velen buiten officiële structuren. Maar talent komt toch moeilijk bovendrijven, zegt de Zuid-Afrikaanse sportjournalist Carlos Amato. De teloorgang van het voetbal ligt deels in het verleden, meent hij. ‘Er was sterk schoolvoetbal maar eind jaren tachtig donderde dit in elkaar toen de noodtoestand werd uitgeroepen. Toen kregen we een verloren generatie.’

Het apartheidsregime stopte ook weinig geld in voetbal. De toenmalige overheid zorgde liever voor mooie velden, competities en ontwikkeling van rugby en cricket, sporten die vooral bij blanken populair waren. In die twee disciplines is Zuid-Afrika nu veel succesvoller dan in voetbal.

Maar de problemen liggen ook in het nieuwe Zuid-Afrika. Toen het land in 1994 democratisch werd en een zwarte regering kreeg, werd er nog steeds geen goede strategie ontwikkeld, zegt collega van Amato, sportjournalist Joe Latakgomo. ‘We hebben nooit goed gekeken naar hoe we talent kunnen ontwikkelen. Hoe we spelers van jongs af aan kunnen begeleiden zoals in Brazilië gebeurt. Als we daar niet aan gaat werken dan blijven we het slecht doen. We moeten op de grond beginnen.’

Waar het ook aan schort is aan een nationale jeugdcompetitie, zeggen beide voetbalexperts. ‘Er zijn competities, maar die zijn veelal niet goed georganiseerd,’ zegt Latakgomo. ‘Daardoor is er te weinig opwinding. Er is niet het gevoel dat je heel hard moet trainen omdat je een vervaarlijke tegenstander krijgt.’

En er moeten meer gemotiveerde coaches komen. Een persoon als Sonny is volgens Latakgomo een uitzondering. Omdat er weinig wegen zijn om talent onder de aandacht te brengen, geven veel trainers het na een tijdje op. Scouts komen niet snel naar uithoeken als Kagiso.

Maar Sonny wil niets weten van opgeven. Voetbal is zijn leven. En hij bidt voor succes. Hij maakt zelf ook deel uit van een verloren generatie. Ooit droomde hij van een carrière als voetballer. Hij had talent. Maar zijn beide enkels raakten geblesseerd toen hij zeventien was. Sonny dacht aan een loopbaan als leraar. Maar pas toen hij in 1994 een identiteitsbewijs kreeg, lag die weg voor hem open. Toen was hij 24 jaar en had hij geen geld om te gaan studeren. ‘Ik greep ernaast en ernaast en ernaast,’ verwoordt Sonny zijn leven.

Hij zit aan het bureau dat middenin het woonhuis staat. Dit is het kantoor van Kagiso Porto. Dat zou eigenlijk in een apart gebouw buiten het huis moeten komen. Maar al drie jaar staan er onafgebouwde muren. Het geld voor cement en een dak was op.

Sonny laat trots certificaten zien die hij kreeg voor cursussen als trainer. ‘Veel vrienden van me die geen opleiding hebben, werden crimineel,’ vertelt hij. ‘Maar ik wil dat mijn familie trots op me is. Ik wil niet sterven als gangsterbaas.’ Dus probeerde hij alsnog een loopbaan in het voetbal te krijgen door zijn eigen jeugdclub op te zetten. Dat bracht hem bijna wat hij wilde.

Het is zaterdagochtend en twee teams van Kagiso Porto maken zich op voor een wedstrijd. Al om zeven uur ’s ochtends verzamelen ze zich bij Sonny’s huis. Hij gaat naar een supermarkt om de hoek en koopt brood, boter en aanmaaklimonade. Zo hebben de jongens in ieder geval een bodem om energie uit te halen. Hij ontfermt zich over hen als vader. Echt opgewonden zijn ze niet over de wedstrijd. In de competitie waarin ze spelen zijn ze zo goed als verzekerd van winst.

Sonny weet wat het spelen in een uitdagende competitie in de praktijk kan betekenen. Eens wist hij een jeugdteam van eredivisieteam Orlando Pirates uit te dagen tot een partijtje. Dat was twaalf jaar geleden en zijn grootste succes. Eén van zijn spelers, de toen 16-jarige Joseph Makhanya, werd ontdekt. Nu is Makhanya 28 jaar en speelt hij al tien seizoenen voor het hoogste elftal van de Pirates.

De kinderen kleden zich om onder een boom naast het veld. Als het eerste team is uitgespeeld geven ze hun voetbalsokken door aan het tweede team. In het blauw-wit speelt Kagiso Porto. ‘Ik heb nooit echt iets terug gezien van Orlando Pirates voor Makhanya,’ zegt Sonny terwijl hij vanaf de zijlijn het spel volgt. ‘Ik had geen advocaat en was eigenlijk wel blij met dertig voetballen die we kregen in ruil voor hem.’

Zijn moeder en zus zitten op een geïmproviseerde tribune. Gemaakt van de keukenstoelen waar eerder in de week de was op hing te drogen. Zijn familie bidt nu voor een nieuw succes, een nieuwe Makhanya. ‘Iedere dag huil ik voor Sonny,’ zegt moeder Winnie. ‘Terwijl zijn leeftijdsgenoten allemaal een stijgende lijn in hun leven hebben, lijkt hij een dalende lijn te hebben. Mijn zoon verdient al twintig jaar bijna niets.’

Sonny heeft de passie die sportjournalist Latakgomo bij veel spelers en coaches van nu mist. Latakgomo zit als veertig jaar in de sportverslaggeving.‘De spelers van vroeger speelden puur uit liefde voor het spel. We vergaten zo ook de zorgen van de apartheid. De huidige generatie ziet het alleen als een manier om geld te verdienen.’

Rondkijkende in de township kan je de coaches en spelers die op zoek zijn naar rijkdom via de sport ook geen ongelijk geven. Voetbal kan een uitweg zijn uit armoede. Makhanya, de speler die Sonny grootbracht naar de eredivisie, loopt over het gras van zijn nieuwe villa in aanbouw in een rijk deel van Kagiso. ‘Het is moeilijk om prof te worden, zegt hij. Niemand let op wat ze hier doen. Maar ik heb geluk gehad.’

Net als Sonny’s moeder, schudt ook hij zijn hoofd over het lot van zijn oude coach. ‘Hij heeft geen enkel inkomen en dat is verdrietig. Ik denk niet dat ik het zonder hem had gemaakt. Als ik in het buitenland zou spelen, dan had ik genoeg geld om hem wat terug te geven. Maar ik heb het nu zelf nodig. Ik kan nog maar vijf jaar spelen.’

Sonny zelf lijkt het allemaal niet te deren. In zijn kamer achter het woonhuis van zijn moeder zit hij op zijn bed onder een golfplaten dak. Trots laat hij het voetbalshirtje zien dat Makhanya droeg als kind. Via Makhanya lijkt hij toch zijn eigen eredivisiedroom te leven. Dat hij geen salaris heeft, staat ondergeschikt aan zijn liefde voor het spel.

En ooit, als hij geld heeft, schrijft hij zijn team weer in bij een competitie waar ze echt tegenstand hebben. Waar zijn spelers kunnen pieken en ontdekt kunnen worden. ‘En dan ga ik onderhandelen. Dat geld gaat dan wel direct terug in de club.’

De voorzitter van de Zuid-Afrikaanse voetbalbond SAFA, Kirsten Nematandani, heeft ook hoop voor de toekomst. Hij heeft, anders dan zijn voorgangers, een lange termijn plan voor het Zuid-Afrikaanse voetbal. ‘We moeten zorgen dat scholen goede coaches krijgen en onze kinderen de basistechniek van het voetbal leren vanaf een jaar of zes,’ zegt hij. ‘De coaches kunnen talent eruit pikken en ze naar jeugdscholen sturen die we op gaan zetten in iedere provincie. Als we die weg volgen dan kan ons nationale team tot de top gaan behoren.’



Bafana Bafana

Voetbal werd in Zuid-Afrika door de Engelse kolonisten geïntroduceerd en werd vooral populair onder de zwarte bevolking. Zuid-Afrika mocht tijdens een groot deel van de apartheid van Wereldvoetbalbond FIFA niet mee spelen omdat het land enkel een blank team wilde afvaardigen. In 1992 werd de sportboycot opgeheven. In hun eerste wedstrijd versloeg Bafana Bafana, wat de jongens betekent, Kameroen met 1-0. Zuid-Afrika won de African Nations Cup in 1996 en kwalificeerde zich voor het WK in 1998 en 2002. Het team kwam beide keren niet voorbij de groepsfase. Tijdens de African Nations Cup in 2006 scoorde het Bafana Bafana geen enkele keer. Tijdens de Confederations Cup vorig jaar deed het team het beter. Maar in afgelopen oefenduels laten ze juist weer slecht spel zien. De hoop is dat door het spelen op eigen bodem het team een voordeel heeft en alsnog goed gaat presteren tijdens het WK.





Dit artikel komt van www.ellesvangelder.nl