De Swazi vallen met bosjes
De Pers | 11 october 2007

Zo’n twintig minuten buiten het centrum van hoofdstad Mbabane, richting de grens met Zuid-Afrika, ligt tegen een heuvel een begraafplaats. Aan de voet voetballen kinderen in het stof. Op de steile weg naast de graven traint een atleet in roodwitte sporttenue zijn kuiten door zo vaak mogelijk de helling op en neer te rennen.

Plan was om het terrein nog jarenlang te gebruiken om Swazi ten rusten te leggen. Maar een groot deel is al vol. De overledenen liggen onder bergen rode aarde met daarop ruwe keien en een nummer. Slechts een enkeling kan een grafsteen met naam betalen. Op het laagst gelegen gedeelte liggen al tientallen rechthoekige gaten van twee meter diep klaar voor hun bestemming.

Vraag een Swazi hoeveel mensen er om hem heen doodgaan en ze vertellen dat ze vallen met bosjes. Belangrijkste oorzaak is de aids-epidemie. Swaziland is één van de zwaarst getroffen landen ter wereld. Volgens een recent onderzoek is 26 procent van de bevolking tussen de 15 en 49 jaar seropositief.

Eén van hen is Sibongile Mnisi. Ze werkt in het centrum van Mbabane, spreek uit ‘ba-baa-nee’, een rustige stad met ruim 70.000 inwoners in de Dlangeni heuvels. In Mbabane vind je de KFC, hamburgertent Steers, internetcafés en mobiele telefoonwinkels. Maar de sfeer is ontspannen en minder chaotisch dan de grootste stad van Swaziland en het industriële hart, Manzini, waar auto’s elkaar toeterend verdringen in de eenrichtingsstraten en mannen ’s ochtends rijendik voor de poorten van fabrieken staan, op zoek naar werk.

Veel vriendinnen

Mnisi maakt schoon bij een organisatie die mensen met HIV/aids steunt. Ze is pas 38 jaar en al weduwe. Haar man stierf vier jaar geleden aan aids. Ze liet zich testen en bleek ook besmet. Ze denkt dat ze het via hem heeft gekregen. ‘Hij had veel vriendinnen.’ Maar haar schoonfamilie gaf haar de schuld van zijn dood en verjoeg Mnisi uit haar huis. Nog voordat haar man was begraven.

Nu moet ze met haar schamele loon van nog geen 250 euro per maand zorgen voor zes kinderen tussen de vier en negentien jaar. Twee van hen zijn niet van haarzelf maar van haar man en een andere vrouw, die eveneens aan aids is gestorven. Mnisi’s jongste van vier jaar is ook seropositief.

Een paar jaar geleden ging ze er zelf bijna aan onderdoor, vertelt ze op een rustige toon. Mnisi lag anderhalve maand in het ziekenhuis en woog nog maar 29 kilo. Maar sinds ze aids-remmers neemt, voelt ze zich goed. ‘Als ik er niet meer ben is er niemand om voor de kinderen te zorgen. Ik moet sterk blijven.’

Swaziland heeft op de kleine bevolking van 1,1 miljoen 80.000 wezen. Geschat wordt dat dit er in 2010 120.000 zijn. Grootmoeders en –vaders kunnen niet genieten van hun oude dag maar worden belast met het opvoeden van een volgende generatie. Hetzelfde geldt voor kinderen die na het sterven van ouders belast worden met hun kleinere broertjes en zusjes. De gemiddelde levensverwachting in Swaziland is met 29,9 jaar het laagste ter wereld.

Tondeuse

De aids-crisis wordt verergerd omdat veel Swazi een tekort hebben aan goede voeding, noodzakelijk om het immuunsysteem op peil te houden. Swaziland is namelijk ook nog eens één van de armste landen van Afrika. Bovendien hebben droogte en hoge temperaturen dit seizoen gezorgd voor mislukte oogsten. Volgens het Wereldvoedselprogramma hebben meer dan 400.000 mensen voedselhulp nodig.

Het midden van het land, zo’n twee uur rijden van hoofdstad Mbabane, is hard getroffen. De grond is droog en gebarsten. In het dorp Nceka liggen klein stenen huisjes verspreid in het heuvelachtige grasland. De meeste hebben één of twee kamers die gedeeld worden door grote gezinnen. De 44-jarige Vus’mandla Dlamini heeft met één vrouw en drie kinderen een relatief klein gezin. Geld om nog een vrouw te nemen, niet ongewoon in Swaziland, heeft hij niet.

Op zijn erf staat een kleine rode tractor werkloos aan de kant. Landbouwwerktuigen liggen door de tuin verspreid. Zijn veld naast het huis is leeg. ‘We hebben geprobeerd om te ploegen en te zaaien, maar de regen is te kort en komt steeds later in het jaar. Bovendien brandt de zon je mais weer van het veld,’ vertelt hij terwijl hij naar de lege omgewoelde aarde staart.

Dus probeert hij nu op andere manieren aan geld en voedsel te komen. Gelukkig is hij van veel markten thuis. Vorige week heeft hij nog een kapotte kruiwagen voor iemand gelast. Ook is Dlamini de enige in de buurt met een tondeuse en ontpopt hij zich als kapper. Nieuwe klussen moeten snel komen. ‘Ik heb nog dertig kilo maïsmeel, genoeg eten voor een maand. Daarna weet ik het niet meer.’

Hij vindt hoop in zijn geloof en is gesterkt in het feit dat zijn gezin gezond is. ‘Mensen onder de 25 jaar gaan als vliegen dood. Alleen al in deze kleine gemeenschap horen we ongeveer over vier begrafenissen per week. Ik en mijn vrouw hebben ons laten testen en hebben geen HIV.’

Rijke koning

Op weg terug naar hoofdstad Mbabane maant de politie tot stoppen. Een dikke auto met zwarte nummerplaten met een goud randje rijdt voorbij. Het is koning Mswati III, die net bij zijn moeder op bezoek is geweest. Deze laatste absolute vorst in Afrika heeft samen met zijn dertien vrouwen een goed leven. Er is veel kritiek op zijn luxe levensstijl, terwijl zijn volk het slecht heeft.

Maar dit komt vooral van buiten. Directe harde kritiek op de koning door Swazi zul je minder snel horen. ‘Er worden veel mensen niet geholpen in Swaziland en ik vind dat de overheid meer moet doen, maar we houden van de koning,’ zegt werkloze boer Dlamini. Mnisi is wat uitgesprokener. ‘Mensen zijn bang om te zeggen dat hij niet genoeg doet. Ik vind in ieder geval dat hij het slechte voorbeeld geeft met zijn dertien vrouwen. Mannen in Swaziland nemen dat over. Ik ervaar nu zelf wat dat kan veroorzaken.’








Dit artikel komt van www.ellesvangelder.nl